De zeemeeuw.
Gekregen van Remco de Korte.

Het onderstaande verhaal is een raadsel. De bedoeling is dat je toehoorders via vragen proberen uit te vinden wat er is gebeurd. De inleiding: Er rijdt een zeeman in een auto langs een lange verlaten weg, ergens in de middle of nowhere. Daar ziet hij een broodjeszaak met een bord "broodje zeemeeuw f 2,50". Hij stopt, stapt uit en bestelt een broodje zeemeeuw. Na de eerste hap en even kauwen haalt hij een pistool uit zijn zak en schiet zich door zijn hoofd. Wat is er aan de hand? Door vragen te stellen, moeten de toehoorders achter de waarheid zien te komen. (Een hoop fantasie maakt het wat gemakkelijker.)
 De waarheid is, dat de zeeman een tijdje geleden schipbreuk heeft geleden, samen met zijn zoon en een vriend. De zeeman is zwaar gewond en de andere twee gaan op het kale eiland op zoek naar eten. Even later komt zijn vriend in paniek terug, om te vertellen dat de zoon van de rotsen is gevallen en dood is. Wel heeft hij wat zeemeeuwenvlees bij zich. Ook de andere dagen vangt de vriend zeemeeuwen, zonder dat de zeeman het overigens ziet. Zo blijven de twee in leven en worden later gered. Als de zeeman jaren later bij de broodjeszaak komt en een broodje zeemeeuw eet, beseft hij dat hij op dat eiland helemaal geen zeemeeuwenvlees heeft gehad, maar zijn zoon heeft opgegeten, die door de vriend was vermoord.

Aanvullingen van Nans Kruseman:

1. Langs de kant van de weg ligt een man. Hij heeft een pakketje op zijn rug. Hij is dood. Wat is er gebeurd?
(De man is een parachutist, de parachute ging niet open.)

2. Er zit een man in de niet-roken-coupe van de trein. De trein rijdt een tunnel binnen. De man opent het raampje en springt uit het raam. Wat is er gebeurd?
(De man was blind. Hij heeft echter een geslaagde oogoperatie gehad en zit nu in de trein op weg naar huis. Als de trein de tunnel inrijdt, denkt hij dat de operatie mislukt is. In de rook-coupe had hij nog de puntjes van
de sigaretten kunnen zien.)

3. In de woestijn staat een schuur. Voor de schuur staat een vrachtauto. In de schuur hangt iemand aan een strop aan de zoldering, onder hem ligt een plas water. Wat is er gebeurd?
(Hij bracht een blok ijs in de vrachtauto mee, ging daarop staan met de strop om zijn nek en wachtte tot het ijs smolt.)