De man met de ijzeren hand.
Gekregen van M. Jochem.

Ron en Bob wonen met hun ouders aan de rand van het Galgenbos. Elke dag, als ze naar school gaan, lopen ze er met een wijde bocht omheen. Er gebeuren namelijk vreselijke dingen in dat enge bos, en niet alleen in de nachtelijke uren. Meerdere durfals zijn in stukken gescheurd aan de rand gevonden, sommigen zijn spoorloos verdwenen en waarschijnlijk opgevreten door hongerige gedrochten. Anderen hadden meer geluk en konden op tijd de rand van het bos bereiken, achterna gezeten door woest schreeuwende monsters. Maar het meest gruwelijke is wel: de man met de ijzeren hand. Niemand heeft hem nog ooit gezien, maar zijn gebrul is 's nachts tot ver buiten het bos te horen. (Even lekker brullen!!) 
Op een dag vergeet hun moeder de jongens te vertellen dat ze vroeg weg moet. Dus als Ron en Bob opstaan, vindt Ron (de oudste van de twee) een briefje, met daarop geschreven:
        Jongens, ik ben vergeten te vertellen dat ik vroeg weg moest. Jullie weten alles wel te vinden.
        En denk erom: niet de televisie aanzetten en niet dr het bos, maar er omheen!.
De jongens trekken zich daar echter niks van aan en zetten de televisie aan. "Goh", zegt Bob, "ik wist niet, dat er 's ochtends zulke bloederige dingen in het nieuws te zien zijn." Tanks, die mensen aan stukken schieten en kinderen, die onthoofd worden. Ze vinden het best eng, tot ze plotseling op de klok kijken en zien dat ze nog 10 minuten hebben, voordat de school begint. "Snel", zegt Bob, die zijn fruit nog moet pakken. "Dadelijk komen we te laat." "Dat is voor jouw niet zo erg", zegt Ron, "jij zit bij de kleuters en krijgt geen straf. Maar ik moet per minuut wel een kwartier nablijven van meester Beulmans". Bob pakt snel een appel en een pakje drinken en trekt zijn jas aan. Ron pakt zijn jas ook en trekt hem vlug aan, maar hij vergeet zijn appel en zijn drinken. Ze lopen snel weg, tot ze bij de weg komen die dr het bos ging. De jongens blijven even staan en kijken elkaar aan. "Als we door het bos lopen, komen we op tijd", zegt Ron. "Maar dat durf ik niet", bibbert Bob. "Dat weet ik, maar nu moet het wel", zegt Ron en trekt zijn kleine broertje mee het verschrikkelijke bos in. Als ze een eindje op weg zijn, horen ze opeens iets: "WAT MOET DAT HIER IN MIJN GALGENBOS?" "Rennen!" roept Ron, "dat is vast de man met de ijzeren hand!" Zo hard ze kunnen, rennen de jongens het bos uit, maar honderd meter voor het eind struikelen ze over een tak. "Ha, ha, nu heb ik jullie!! Kom hier, nare jongens. Weglopen voor de man met de ijzeren hand, hoe durf je!" Als de jongens opkijken, zien ze een verschrikkelijk gezicht met wilde woeste haren en bloeddoorlopen ogen. Het gezicht komt nu vlak boven de jongens en ze kunnen zijn stinkende adem ruiken. "Ik ben de man met de ijzeren hand. Maar ik ben hem kwijt, kunnnen jullie even helpen zoeken, alsjeblieft?"