Herbert Marritsen
gekregen van Wim Pauw

 

Jullie hebben vast wel eens gehoord van dwaallichten. Maar weten jullie ook wat dat zijn ? Dwaallichten, dat zijn geesten van overleden mensen, die verdronken zijn in een moeras of in een ven. Zij hebben hier op aarde nog geen “zielle-rust” gevonden en zijn gedoemd rond te dolen tot zij een slachtoffer op dezelfde wijze hebben laten verdrinken in een moerras of ven. Vaak waren dat smokkelaars die ’s nachts door het bos liepen, maar ook vaak handelsreizigers of verdwaalde kinderen.

 

Herbert Marritsen was een stoere handelsreiziger. Hij was groot en blond en als je hem zag dan kon je maar beter met hem eten dan vechten, want sterk dat was hij wel. Hij tilde met één hand de herbergier van “de Vijfsprong” op, toen deze hem voor drie nachten probeerde te laten betalen in plaats van de twee nachten dat Herbert er daadwerkelijk ook geslapen had. Herbert had een groot soort rugzak op zijn rug, gemaakt van riet, het was eigenlijk meer een soort grote koffer met heel erg veel vakjes en laatjes daarin, met handelswaar. Hij verkocht allerlei kruiden en specerijen uit verre landen van over zee, uit Zuid Amerika.

 

Deze Herbert was onderweg van de herberg “de Vijfsprong” naar Markelo. Hij stapte stevig door, want het werd al schemerig. Niet dat hij bang was in het donker, ooh nee. En bang voor overvallers of struikrovers was hij ook niet. “Laat ze maar komen”, dacht hij, en hij balde zijn vuisten, die hij diep in zijn broekzakken had gestoken. “Laat ze maar komen”, dan zal ik eens laten zien uit welk hout Herbert Marritsen is gesneden. Het was nog wel een uurtje lopen naar Markelo en zijn maag rommelde. Hij had trek. Hij dacht aan die serveerster van “de Vijfsprong”, Annebelle. Zij maakte van die lekkere soep. “Daar lust ik wel wat van, met een lekkere pot bier erbij”, het water liep hem in de mond. Maar hij was niet op weg naar “de Vijfsprong”, hij kwam er juist vandaan. Zo liep hij in gedachten door, het bos in. Het werd al wat nevelig tussen de bomen in, zoals dat vaker gebeurt als het heeft geregend en het de hele dag erg warm is geweest. Nu moest hij nog weer eens denken aan dat verhaal dat Annebelle vertelde. Even trok er een koude rilling over zijn rug. Kon het zijn dat hij, Herbert Marritsen bang was? Nee, die gedachte zette hij gauw van zich af. Hij stopte zijn handen weer diep in zijn broekzakken en stapte stevig door.

 

Op de tweesprong links en dan moest hij de lichtjes van Markelo al bijna kunnen zien flonkeren. Een koel briesje woei door zijn wambuis en hij rilde weer. Ha, daar had je die tweesprong al. Nu links en dan naar Markelo. Het pad werd nu snel smaller en het leek wel of de boomstammen steeds dichter bij het pad stonden, het pad begon daardoor steeds meer op een tunnel te lijken, met een bladerdak. Het was een klamme vochtige tunnel met aan het eind een cirkeltje licht. Dat cirkeltje daar hield Herbert zijn ogen op gericht, hij voelde zich geen moment echt op zijn gemak en onwillekeurig dacht hij toch nog weer even terug aan Annebelle en dat verhaal over die dwaallichten. Eén keer meende Herbert zelfs dat hij een gedaante zag ergens op een wat lichtere plek in deze “tunnel”. Maar toen hij op de plek aankwam, was er geen spoor van welk levend wezen dan ook, het moet zichtbegoocheling zijn geweest. Toch voelde Herbert dat hij niet alleen was, het leek wel of er ogen vanuit die vochtige varens, aan de kant van de weg, op hem waren gericht. Hij schrok toen er opeens vlak voor hem een kwartel opvloog vanuit het kreupelhout, zijn hart bonkte in zijn keel. Wat zei Annabelle ook weer over die dwaallichten?

 

“Dwaallichten, dat zijn geesten van gestorvenen die ronddolen in een bos of een moeras. Zij proberen altijd maar om reizigers van het pad af te lokken en ze te laten verdwalen. Om ze uiteindelijk volledig uitgeput in een moeras te lokken zodat deze nietsvermoedende reizigers, eenmaal in het moeras belandt geen kant meer op konden en steeds dieper naar beneden gezogen werden door de geheimzinnige krachten in zo’n moeras totdat ze uiteindelijk verdronken.” Vaak kon je dan na een laatste wanhopige schreeuw van het slachtoffer al die dwaallichten ijzingwekkend horen lachen. Dat lachen ging door merg en been. Ook had Annebelle van reizigers gehoord dat zij wel eens in het bos bij Markelo van deze geheimzinnige lichten hadden gezien en dan eigenlijk ook altijd zachte en geheimzinnig hun naam hoorden fluisteren, alsof ze moesten volgen …

 

Zo, daar zag hij de eerste lichten van Markelo al. Hij dacht niet meer aan dwaallichten of aan moerassen, nog even en dan zat hij achter een stevig bord bonen met een groot stuk spek. Snel liep hij in de richting van de lichten, oh hij kon de bruine bonen al bijna proeven. Maar soms hoorde hij gelach en verbeeldde hij zich zelfs zijn naam te horen. Maar dat was natuurlijk verbeelding, want niemand wist dat hij op weg was naar Markelo. Hij liep nog steeds richting de lichten, die af en toe leken te bewegen. Maar dat moest natuurlijk verbeelding zijn; huizen lopen niet. Toen hij na een half uur lopen nog niet in Markelo was, moest hij nog even aan dat verhaal van Annebelle denken. Maar dat zette hij gauw weer van zich af, dat bestond toch niet …

 

Herbert, Herbert (2e schreeuwen) … Hij was ineens omsingeld door lichten, hij meende zelfs gedaantes te onderscheiden. Ze riepen allemaal zijn naam. Gedaantes als van was … ze leken op mensen, maar hun ogen … zwart, nietszeggend, als van een blinde of het niet eens ogen waren. Starend zonder iets te zien, het leken wel gaten. De gezichten vaalgrijs, hij kon moeilijk trekken onderscheiden. Langzaam zakten zijn voeten in de drassige grond weg, het leek wel of de grond hem niet meer dragen wilde. Het leek erop of de aarde haar mond opensperde om hem te verzwelgen. Tergend langzaam voelde hij krachten aan hem trekken, alsof iets hem aan zijn enkels vast had. Bang was hij nog nooit geweest maar nu … en dan al die vreemde lichten om hem heen die allemaal zijn naam leken te kennen en zachtjes lachten. Hij probeerde te schreeuwen om hulp maar zijn stem stokte in zijn keel, angstig sloeg hij om zich heen op zoek naar een tak of iets waar hij zich aan vast kon grijpen. Maar steeds dieper zogen vreemde krachten hem naar het binnenste van de aarde. En de schimmen lachten maar …