Ellert en Brammert
gekregen van Henk van Beelen.

 

Lang geleden woonden er twee wrede reuzen op een uitgestrekt veld bij Orvelterveen. Ellert en zijn zoon Brammert kenden geen medelijden en beroofden en vermoorden vreemdelingen. Zij hadden een slimme manier gevonden om te weten wanneer er reizigers door hun woongebied trokken. Overal op de hei hadden zij paaltjes geslagen, waaraan touwtjes met klokjes hingen. Wanneer een nietsvermoedende reiziger de touwen aanraakte, tjingelden de bellen over het veld. De reuzen wisten van elk geluidje precies op welke locatie de klokjes luidden en of het de wind was die over het veld raasde of een argeloze vreemdeling die in de val liep.
De inwoners van Orvelterveen waarschuwden hun kinderen: “Kom nooit op het veld, daar wonen twee boze reuzen!” Er woonde echter een heel nieuwsgierig meisje in Orvelterveen dat haar moeder vroeg waarom iedereen zo bang was voor Ellert en Brammert. Haar moeder huiverde bij deze vraag en drukte het meisje op het hart nooit naar het veld te gaan. Maar het meisje vond het juist spannend en ze moest onophoudelijk aan die twee raadselachtige, grote mannen denken. Ze had medelijden met hen, ze moesten wel eenzaam zijn! Het meisje bedacht dat wanneer iemand liefdevol voor de reuzen zou zorgen, hun goede, zachtaardige kant tevoorschijn zou komen.
Zo gebeurde het dat het meisje steeds vaker pas ’s avonds laat terug kwam op de boerderij bij haar ouders. Ze loog als haar moeder vroeg waar zij geweest was. Ze durfde niet te vertellen dat ze aan de rand van het veld gezeten had in de hoop een glimp op te vangen van Ellert en Brammert. Op een dagje vatte het meisje al haar moed bijeen en liep voorzichtig het veld in. Haar voet raakte een touw aan en een belletje begon te rinkelen. Hoe grappig! Het meisje genoot als een klein kind van de muziek die ze maakte als ze zich bewoog. De beide reuzen waren opgesprongen bij het horen van het geklingel. Dit hadden ze nog nooit gehoord! Snel als de wind liepen zij het veld in, tot zij oog in oog stonden met het meisje. Angst sloeg om het hart van het meisje. Hoewel ze uit had gekeken naar deze ontmoeting, wilde ze nu niets liever dan vluchten.
De reuzen wisten hun buit naar waarde te schatten. Dit was de eerste keer dat zij een vreemdeling niet doodden. Zij namen haar mee naar het schemerige hol waar zij in woonden. Het meisje kreeg de opdracht het hol schoon te houden en de maaltijden te bereiden voor de mannen. Vanaf dat moment gingen Ellert en Brammert nooit meer samen op pad om vreemdelingen te beroven. Telkens bleef één van hen thuis om hun grootste schat te bewaken. Het meisje voelde zich erg ongelukkig en verlangde naar huis. Maar hoe ze ook smeekte, de reuzen wilden haar nooit meer laten gaan. Ze verzon listen om vader en zoon jaloers op elkaar te maken, maar ook dat bracht haar geen ontsnappingsmogelijkheden. Er kwam geen dag of nacht dat de beide mannen tegelijk sliepen of allebei gehoor gaven aan de belletjes in het veld.
Op een goede dag was het Ellerts beurt het meisje te bewaken. Het was een buitengewone warme dag en hij ging voor het hol in de zon zitten. Zijn hoofd zonk langzaam op zijn borst. Zijn mond stond open en hij snurkte zacht. Het meisje bekeek hem en rilde. “Moet ik de rest van mijn leven slijten bij zulke afzichtelijke, wrede wezens?” vroeg zij zichzelf af. Toen viel haar oog op het dolkmes dat half uit zijn zak stak. Heel langzaam en voorzichtig trok zij het mes naar zich toe. Zonder zich te bedenken sneed ze de keel van de reus door. Even voelde ze schuld en medelijden, maar besefte toen dat daar geen tijd voor was. Ze moest vluchten wilde ze deze net verworven vrijheid behouden! Ze begon te rennen, maar aarzelde toen ze bij het veld kwam. Misschien moest ze juist niet rennen voor haar leven, maar heel behoedzaam proberen de touwen met de belletjes te ontzien? Maar de reuzen hadden zo’n grillig web gespannen, dat dit onmogelijk was. Het meisje besloot zo snel als ze kon naar het dorp te hollen.
Aan de andere kant van het veld luisterde Brammert verbaasd naar het getingel van de belletjes. Zo’n geluid had hij nog nooit gehoord. Hij stapte op huis aan, waar hij zijn vader op de grond vond, badend in het bloed en zonder teken van leven. Het drong tot hem door dat het meisje hen de baas was geweest. “Vader” schreeuwde hij, “vader, ik zweer dat ik u wreken zal!” Hij wist dat het meisje richting Orvelterveen gevlucht moest zijn en zette de achtervolging in. Het meisje zag in de verte het huisje van haar ouders liggen, maar achter haar zag ze ook Brammert steeds dichterbij komen. Ze bad dat de deur open zou staan, dat zou haar enige redding zijn. Maar de deur was dicht. Ze voelde de wind van zijn graaiende armen in haar nek en schreeuwde het uit. Op dat ogenblik gebeurde er een wonder. De wind waaide en blies de deur open! Het meisje duikelde naar binnen, gooide de deur dicht en vergrendelde hem.
Buiten schreeuwde de reus van verdriet en woede. “Meisje uit Orvelterveen, deze moord zal ik je betaald zetten! Je familie, je vrienden, heel Orvelterveen zal boeten voor wat jij gedaan hebt. Ik zal zand in jullie huizen blazen en alle kinderen die in de buurt van het veld komen doden. Ik zal niet rusten voordat heel Orvelterveen door iedereen is verlaten en niemand er meer durft te wonen.” In het gehele dorp waren deze beangstigende woorden hoorbaar. Brammert liep terug naar het veld en ging daar op zijn buik liggen. Hij haalde diep adem en begon te blazen. Al snel was het hele dorp in stof gehuld. Het zand drong de huizen en stallen binnen en vermengde zich met de oogst. Het was overal! Alle inwoners voelden dat het dorp tot de ondergang veroordeeld was. Niemand durfde richting het veld te gaan, men bouwde geen nieuwe huizen meer en steeds meer mensen verlieten de streek. Zelfs de volhouders die probeerden weerstand te bieden werden door Brammert weggejaagd. Iedere dag blies hij hun huizen vol zand tot ook zij tenslotte de moed opgaven en vertrokken. “Denk aan Ellert en Brammert.” riep de reus hen na.

Zo verdween het dorpje Orvelterveen van de aarde.