De Vliegende Hollander
gekregen van Henk van Beelen

 

Al dagenlang raasde er een zware storm langs de kust. Uit voorzorg bleven schepen in de haven, de kapiteins durfden niet uit te varen. Er was echter één kapitein die popelde om de zee op te gaan. Hij had een pinas in de haven liggen, een oorlogsschip met een plat achterschip. Hij kon niet wachten om aan zijn reis naar de Indiën te beginnen. Met grote moeite wist men hem ervan te weerhouden. "Je komt de haven niet uit schipper! De wind gooit je tegen de kaai!"
De storm hield aan en de onrust van de kapitein groeide. Hij was een grote, robuuste man en een deskundig schipper. Hij was gewend altijd zijn eigen gang te gaan, zonder tegenspraak. Hij was heer en meester op zijn schip, zijn bemanning gehoorzaamde hem feilloos. Er was geen schipper te vinden die zulke snelle reizen maakte en altijd weer veilig terugkeerde. Maar nu werd hij dagenlang gedwarsboomd door de wind!
Uiteindelijk won zijn ongeduld het van zijn gezonde verstand. "Ik vaar morgen uit!", riep hij tegen de stuurman. De stuurman zei dat het morgen eerste paasdag was en dat er op een heilige dag nooit werd uitgevaren. De kapitein liep rood aan en snauwde "Ik zeil, wanneer ik wil!". "Maar toch niet op de dag van Christus", mompelde de stuurman. Woedend was de kapitein. Vier kostbare dagen waren al verloren gegaan. Hij zou zich tot zeker niet schikken naar een storm? Niemand had zeggenschap over hem. Geen storm, geen wind en zelfs niet de hogere macht die stormen kon gebieden.
Hij sliep die nacht vast en zonder twijfel over zijn besluit. In de vroege morgen riep hij zijn bemanning aan dek. "We varen", beval hij kort en liet de zeilen hijsen. De matrozen klommen joelend de touwen in. Ze waren trots op hun schipper die zoveel lef toonde.
Toen begonnen de paasklokken te luiden. De matrozen aarzelden een moment voor ze weer verder werkten. De kapitein van een naastgelegen schip riep de kapitein toe. "Vaar je?", riep hij met de wind mee. "Ik vaar!", riep de schipper van de pinas terug. "Hoor je dat niet?", riep de ander weer, terwijl hij in de richting van het klokkengelui wees. "Ik vaar!" "Zie je dat dan niet?" De schipper wees naar de donkere, dreigende lucht. "Ik vaar!" De kapitein aan wal verklaarde hem voor gek. Er zouden ongelukken gebeuren!
De schipper van de pinas maakte zich breed en lachtte. "Denk jij mij bang te kunnen maken? Ik vaar uit! Al zal ik tot in de eeuwigheid moeten varen, ik váár!" De matrozen vingen slechts vlagen op van het gesprek tussen de twee schippers. Maar één ding wisten ze zeker, hun schipper was een machtig man met veel moed. Ze waren trots op hem en luisterden niet naar het waarschuwende stemmetje in hun hoofd. Ze wachtten op de volgende bevelen van de schipper. Deze stond stil op het dek en staarde naar de zeilen. De matrozen keken met hem mee. De storm floot over het dek, de klokken luidden… en de zeilen bolden zich tegen de wind in!
Steeds meer mensen kwamen kijken op de kade. Hier gebeurde iets onbegrijpelijks! De zeilen van de pinas bolden zicht tegen de wind in en dwars tegen de wind in schoot het schip op de havenmond af. Dit moest een dodenreis worden. Deze schipper daagde God uit. In de verte dreef het schip naar zee. De mensen op de kade staarden het na, vol angstige voorgevoelens. Ze zagen hoe een grote zwarte vogel rondom het schip vloog. De zeilen flikkerden vuurrood en de romp stak zwart af. Een hoge golf bracht het schip nog eenmaal in het zicht, toen verdween het aan de horizon. De mensen keerden terug naar huis, gebeden prevelend voor de bemanning van het schip.
 
De pinas kwam nooit in Indië aan en keerde nooit terug in de haven. Geen enkel bericht bereikte het vasteland. Er kwamen geen brieven voor familieleden van de bemanning. Was het schip vergaan? Maar men hoorde niets over een wrakstuk dat aanspoelde of een verdonken matroos die uit het water werd gevist. Jaren gingen voorbij en weinig mensen dachten terug aan de pinas.
 
Toen gebeurde het dat een Oost-Indiëvaarder om Kaap de Goede Hoop koerste, op weg naar het vaderland. Plotseling dook uit de wolken een schip op. Of kwam het uit de golven te voorschijn? De oude matroos die het schip ondekte gaf een schreeuw van schrik. De bemanning snelde toe en keek met afgrijzen naar het schip met bloedrode zeilen. De zeilen stonden bol tegen de wind in, de romp was zwart en er was geen beweging aan dek. Om de mast cirkelde een grote, zwarte vogel. "Een spookschip," riep een matroos. Toen de kapitein aan dek kwam was het spookschip plotsklaps verdwenen. Hij lachte hen uit en beval hen door te werken. De volgende dag joeg een storm het schip naar de wal en het sloeg te pletter. De oude matroos was één van de weinigen die het er levend vanaf bracht. Thuis vertelde hij van het spookschip dat ongeluk betekende voor een ieder die het zag.
Steeds meer berichten over het spookschip bereikten de wal. Met roodgloeiende zeilen verscheen het plots uit het niets. Het schip leek zich snel voort te bewegen, maar het bleef in de buurt van Kaap de Goede Hoop. Het leek alsof het werd tegengehouden. Het bezorgde ongeluk aan elk schip dat het onderweg tegenkwam. Zo’n schip liep kort daarna op de klippen, vloog in brand of er brak een ziekte uit aan boord. Een spookschip zonder bemanning doorkliefde de zee en bracht ongeluk aan wie het toevallig voorbijvoer.
Later zou blijken dat het schip wel degelijk een bemanning had. Een Oost-Indiëvaarder zeilde rond Kaap de Goede Hoop toen plots een ouderwetse pinas met grote snelheid naderde. Het voerde de Hollandse vlag en men kon de kapitein op het dek zien staan. De koopvaarder nam aan dat het schip zijn koers wel zou bijstellen, maar de pinas bleef recht op hen afkomen! De bemanning schreeuwde van ontzetting en zette zich schrap voor de enorme klap. Maar er werd geen schok gevoeld, geen gekraak gehoord. Ze gingen er dwars doorheen! Ook de pinas vertoonde geen schrammetje en voer achter hen door. Met open mond keek de bemanning haar na. Het was alsof de pinas in een blauw licht dreef. Op het dek stond onbeweegelijk de kapitein, lang, mager en verschrompeld. Men had de bemanning op het dek gezien, eveneens roerloos en blauw oplichtend. “Zag je de vlag?”, vroeg een van de matrozen op de koopvaarder. "Een Hollander" "De Vliegende Hollander!" De matrozen probeerden hun angsten weg te lachen.
De Vliegende Hollander bleef de oceaan doorkruisen. De jaren verstreken. "Al zal ik varen tot in de eeuwigheid, ik vaar!" De hoogmoedige schipper joeg bemanning en vaartuig in het ongeluk. Tervergeefs probeert de pinas bij Kaap de Goede Hoop te komen. Eenmaal in de zeven jaar kent het schip een ogenblik van rust. Dan ligt het in een rede stil en gaat het anker uit. Een holle stem roept dan "Ik breng brieven." Er staan vreemde adressen op die brieven, namen van heel oude straten. Men zegt dat de bemanning van de Vliegende Hollander niet eens beseft dat ze al eeuwen zwerft. De volgende dag is het schip weer weg, op zoek naar een volgend slachtoffer ...