Het Zuiderkerkhof
gekregen van Hanne

Mané woonde in een huis waar vroeger een militair gebied was. Ze woonde er met haar ouders, broer Julius en haar kleine zusje Pien, die anderhalf jaar was.
Ze had er niet veel moeite mee dat ze op een oud militair gebied woonde. Maar wel met het Zuiderkerkhof, dat naast hun huis lag. Het ging verder wel goed, er waren geen echte problemen. Mané ging naar een middelbare school op het platteland. Op de laatste dag van het schooljaar kreeg ze haar rapport terug, ze wist dat ze haar toetsen goed had gemaakt en dat ze dus overging. Toen ze haar rapport kreeg, bleek echter dat ze overal voor gezakt was en dus niet overging. Ze snapte het niet en vroeg hoe dat kon.
Iedereen keek haar raar aan en ze werd uitgelachen. Mané  rende weg, weg van de school. Ze snapte het niet, wat was er fout gegaan? Ze wou nooit meer terug naar school. Daarom ging ze naar huis. Maar er was niemand thuis, dus ging ze weer weg, het bos in waar niemand haar kon vinden. Daar bleef ze wachten tot het nacht werd. Toen merkte Mané dat ze honger had. Dus besloot ze naar huis te gaan. Na een tijdje lopen kwam ze erachter dat ze verdwaald was. Ze zag niet veel door de laag hangende mist en de donkere lucht. Wat ze nog wel zag kwam door het licht van de maan. Toen zag ze het spookachtige torentje. dat ze kende van het kerkhof dat naast haar huis lag. Ze liep er naartoe. Maar toen ze een andere kant op wou gaan, merkte ze dat ze ergens in het kerkhof door aangetrokken werd. Ze bleef voor het kerkhof staan. Opeens hoorde ze een harde schreeuw. Ze herkende die schreeuw, het was haar broer Julius.  De schreeuw kwam uit het kerkhof, ze rende er naar toe. Opeens struikelde ze ergens over. Het was haar broer, die bloedend op de grond lag. Het was te laat, hij was dood... Toen zag ze haar zusje huilend met kettingen vastgebonden aan een grafsteen. Ze rende er naar toe en bevrijdde haar. Toen ze los was, verdween ze in het niets. Ze vroeg zich af waar haar ouders waren. Opeens zag ze haar ouders op het pad staan, maar ze verdwenen gelijk. Ze zag een bloedspoor dat naar het bos liep. Ze besloot om het te volgen.
Na tien minuten lopen had ze het idee dat ze niet alleen was. Opeens stopte het bloedspoor bij een kruising van drie paden. Ze hoorde het geluid van een brekend takje. Ze keek om zich heen maar zag niemand. Opeens verdween het bloedspoor in het niets. Ze zag haar ouders gewapend met een mes op haar af komen. Rond haar lag allemaal bloed op de grond. Ze was dood...